Glossary
Bij het beschrijven van de niveautyperingen is gebruik gemaakt van terminologie, om de verschillende niveaus te duiden. Om dit te ondersteunen vind je onderstaand een glossary van gebruikte termen.
| A | Associatie | Een verband tussen twee zaken, zoals de organisatie en kennisgebieden. Waarmee de organisatie geassocieerd wordt en hoe sterk deze associatie is bepaald de identiteit van de organisatie in de markt en is van invloed op haar commerciële kansen. |
| Autoriteit | Het gezag om anderen te leiden vanuit jouw vakgebied, zonder formele machtspositie. | |
| B | Business | De (potentiele) activiteiten van een organisatie waarmee een doel, veelal winst, wordt nagestreefd. |
| Business domein | Een geheel aan organisaties die een vergelijkbare of vervangbare business hebben. Bijvoorbeeld: Het zorgdomein. | |
| C | Community | Groepen die zich bezighouden met hetzelfde kennisgebied, binnen en buiten Info Support. |
| Complex | Moeilijk op te lossen, laat zich kenmerken door onbekende factoren en veel samenhangende verbanden waardoor analyse per definitie onvolledig is en exacte oplossingen niet op voorhand gedefinieerd kunnen worden. | |
| Consultancy skills | Adviesvaardigheden die verder strekken dan inhoudelijke kennis en kunde en een beroep doen op persoonlijke vaardigheden. | |
| D | Directe omgeving | Personen of groepen die betrokken zijn bij een opdracht, veelal een team, collega’s en stakeholders van gelijkwaardig niveau. |
| E | Expert (extern en intern) | Deskundig, ervaren en beproefd in een vakgebied (en hierop erkend worden door interne collega’s en externe personen). |
| G | Gecompliceerd | Moeilijk op te lossen, maar laat zich kenmerken door analyse van verbanden, logische als-dan situaties, systemen en processen. Voorspelbare oplossingen. |
| K | Kaders | Een situationele context, verband, of achtergrond, waarin een bepaalde zaak wordt geplaatst. Bijvoorbeeld: Randvoorwaarden of besluiten. |
| M | Marktcapabilities | Mogelijkheden in de markt op basis van een associatie tussen de organisatie en kennisgebieden. |
| Multidisciplinair inzetbaar | Inzetbaar in meerdere kennisgebieden of business domeinen. | |
| N | Normstellend | Dermate kundig dat collega’s op het betreffende vakgebied afgaan op de (vaak ongeschreven) regels en handelswijze van de persoon. |
| O | Operationeel | Activiteiten die zich begeven op uitvoeringsniveau. |
| Organisatie breed | Raakt alle onderdelen van de organisatie, niet slechts één onderdeel of afdeling. | |
| P | Propositie | Een propositie is hoe je een dienst, product of bedrijf in de markt zet. |
| S | Stakeholders | Personen of groepen van diverse niveaus die invloed hebben op een opdracht, afdeling of organisatie en/of er door worden beïnvloed. |
| Strategisch | Activiteiten die gericht zijn op het bepalen van doelen en het maken plannen voor de lange termijn om de overkoepelende visie te realiseren. | |
| T | Tactisch | Activiteiten die gericht zijn op het vertalen van visie en plannen naar operatie en zich richten op de komende jaren. |
| Trusted Advisor | Door de klant vanuit een vertrouwensrelatie (terug)gevraagd worden voor adviezen op strategisch niveau en hierbij de probleemstelling van de klant centraal stellen en niet het eigen expertise. | |
| V | Vakvolwassen | Beschikt over een juiste attitude, gedegen kennis, vaardigheden en ervaring die nodig zijn om het vak als een volwaardige, zelfstandige vakman of vakvrouw uit kan oefenen. |
| Vakgebied | Een verzameling van kennisgebieden waar mensen zich in kunnen specialiseren. Samen vormen deze kennisgebieden een breed vakgebied van kennis, vaardigheden en activiteiten, waar doorgaans opleiding en ervaring voor nodig is om goed in te kunnen functioneren. Bijvoorbeeld: IT. | |
| W | Werkgever | De eigen organisatie: Info Support International Group en al haar ondernemingen. |