Gedragsvoorbeelden algemeen

  • Reageert op onuitgesproken behoeften van andere afdelingen.
  • Houdt bij het werk rekening met verschillen in bedrijfscultuur.
  • Waarschuwt voor ongewenste neveneffecten op anderen buiten eigen functiegebied of afdeling.
  • Is op de hoogte van gebeurtenissen in andere delen van de organisatie en houdt daar op voorhand rekening mee.
  • Houdt bij beslissingen en acties rekening met de effecten op andere delen van de organisatie.
  • Heeft zicht op de verhouding tussen de eigen belangen en de belangen van ander delen van de organisatie en houdt daarmee rekening in zijn besluitvorming.
  • Neemt geen beslissing zonder het effect daarvan op de rest van de organisatie vooraf te hebben onderzocht en ingeschat.
  • Heeft zicht op organisatorische belemmeringen die de medewerkers hinderen bij hun werk. Probeert die belemmeringen weg te nemen.

Gedragsvoorbeelden per niveau

Niveau 1
Laat zien te weten welke belangen spelen binnen verschillende organisatieonderdelen en te weten wie beslissers en beïnvloeders zijn.

  • Houdt in toezeggingen naar externen rekening met de eigen organisatie.
  • Laat merken op de hoogte te zijn van de interne verhoudingen.

 

Niveau 2
Houdt op eigen initiatief rekening met verschillen in belangen van verschillende organisatieonderdelen en onderlinge verhoudingen.

  • Houdt bij besluitvorming en acties rekening met de effecten daarvan op andere organisatieonderdelen.
  • Benadert binnen de organisatie de juiste mensen (de mensen die beslissen en/of invloed hebben).

 

Niveau 3

Stimuleert anderen in de directe werkomgeving om rekening te houden met verschillen in belangen van organisatieonderdelen en onderlinge verhoudingen, mede door het vertonen van voorbeeldgedrag.

  • Bespreekt met medewerkers/collega’s hoe zij draagvlak voor een plan bij verschillende groepen binnen de organisatie te verkrijgen.
  • Toetst vooraf bij de juiste partijen of er draagvlak is voor zijn/haar voorstellen.

 

Niveau 4

Inspireert anderen ook buiten de directe werkomgeving rekening te houden met verschillen in belangen van organisatieonderdelen en onderlinge verhoudingen, mede door het vertonen van voorbeeldgedrag.

  • Wijst op de consequenties van plannen en besluiten voor de onderlinge verhoudingen en voor posities van betrokken partijen of organisatieonderdelen.
  • Kent gevoeligheden die binnen de organisatie of het onderdeel spelen en houdt daar rekening mee in zijn/haar aanpak.